Biografie

Levend erfgoed

De Atlantikwall is tijdens de Tweede Wereldoorlog aangelegd als militaire verdedigingslinie. Bunkers worden dan ook vooral vanuit militair-historische invalshoek bezien. Echter, in hun bestaansgeschiedenis maakt de oorlogsperiode maar enkele jaren deel uit, de daarna verstreken tijd tot heden is veel groter. Er is dus meer dan alleen de ‘militaire identiteit’ van het bouwwerk en het is interessant om de invloed op- en van naoorlogse gebeurtenissen te onderzoeken. Hierdoor wordt de volledige biografie van de bunker geschreven.

De sloopkogel bleek dikwijls onvoldoende te zijn opgewassen tegen het beton.

Decennialang werden de grijze betonnen kolossen beschouwd als puisten in het landschap en verketterd vanwege de slechte herinneringen aan de ‘moffen’. Direct na de bevrijding werden de bunkers geplunderd en gestript vanwege het tekort aan (bouw)materiaal. De algemene opinie was: ‘slopen die hap’, maar vanwege de hoge kosten was dat makkelijker gezegd dan gedaan. Vanuit de Nederlandse krijgsmacht kwam hier zelfs een verbod op omdat de bouwwerken nog mogelijk militair nut hadden. Als gevolg van de woningnood namen sommige burgers tijdelijk hun intrek in bunkers. Anderen zagen permanent hergebruik als vakantiewoning, opslagkelder of kippenschuur wel zitten. Na inventarisatie van de gehele verdedigingslinie werd het overgrote deel van de bunkers uiteindelijk als nutteloos bestempeld, en als het even kon dichtgemetseld of onder een duin verstopt. Al snel kon als gevolg van de Deltawet de slopershamer kosteloos worden gebruikt wat in de jaren ’60 het einde betekende voor veel bunkers die de waterkerende zeereep ontsierden.

De generatie van na de oorlog denkt bij bunkers eerder aan hun ‘geheime speelhol’ of jeugdavontuur, dan aan een beladen geschiedenis. Als magneten trokken ze de jeugd aan die in de kuststreek opgroeide of op vakantie was. Door jongens werden er ‘ontdekkingen’ gedaan en ‘oorlogje’ gespeeld, maar later werd de duisternis betreden spannend om andere redenen. Er werden stiekem de eerste sigaretten gerookt, de eerste zoen gegeven, graffiti gespoten en fikkie gestookt. In sommige kustgemeenten ontstonden overlast gevende zuip- en blowhonken. Kortom, er is ook een naoorlogse generatie die met plezier aan bunkers denkt.

Wandelaars bij een verdwenen landmark op Goeree (Foto: Collectie Jack Westhoeve)

In de laatste decennia staan bunkers in de belangstelling van zogenaamde ‘bunkerologen’ of ‘bunkeraars’. Fotograferen, een zeldzaam type bunker ‘in het wild’ bekijken of de geschiedenis in een archief uitpluizen is hun hobby. De interesse varieert van louter de kick van het uitgraven tot diepgaand historisch onderzoek. Soms staat dit op gespannen voet met ecologen die de bunker als minibiotoop willen vrijwaren van menselijk bezoek. Rust is immers belangrijk voor de beschermde vleermuizen die in de ondergrondse klimaatvriendelijke ruimten willen overwinteren. Ook zeldzame planten en insecten vinden rondom de bouwwerken hun habitat. De meest recente ontwikkeling is de belangstelling vanuit de toeristisch-recreatieve hoek. De bunkers krijgen daardoor weer een heel andere invulling en -als gevolg- betekenis in de geschiedenis.

Het interieur van bunkers als cultuurhistorisch erfgoed.